Bij een traditioneel gebonden dak wordt de rieten dakbedekking aangebracht
op een sporenkap. Op de sporen worden rietlatten (25 x 35 mm) bevestigd met
een onderlinge afstand van gemiddeld 280 mm, hart op hart (h.o.h.).
De h.o.h.-afstand van de sporen is 400 tot 600 mm.
Aan de onder- en bovenkant van de kap en ook bij detailleringen (dakramen, dakkapellen) worden de
rietlatten korter bij elkaar bevestigd. Aan de onderkant (dakvoet) wordt
de eerste rietlat aangebracht op 200 mm van het knijpdeel (zie hierna).
De tweede en derde rietlat komen resp. op 150 mm en 300 mm van de eerste
rietlat. De bovenste rietlat bij de nok moet zo hoog mogelijk worden bevestigd;
hieronder komt een rietlat op 150 mm van de bovenste rietlat. De derde
rietlat komt op 180 mm van de tweede.
Aan de muurplaat en de opgaande gevels moet een "knelling" (ook wel knijpdeel genoemd) aanwezig
zijn. Op de rietlatten wordt door de rietdekker een zogenoemde spreilaag gelegd,
bestaande uit recht lang riet of rieten matten. Deze laag is bedoeld om
te voorkomen dat de pluimen van het dekriet onder de rietlatten terecht
komen. Op de spreilaag komt het dekriet te liggen. Het riet wordt op de rietlatten
vastgebonden met spandraden (gegalvaniseerd staaldraad, 6 mm) en binddraden
(roestvast staal, 1,1 mm).
Voor het vastbinden van
het riet gebruikt de rietdekker traditioneel rietdekkersgereedschap, de
goot en naald.